Jonathan Holslag: Koester uw boer - Knack, 26 juli 2017, pag 67.

Duindoorn. In een klein restaurant in Estland heeft die kleine bes, met haar parfum dat je haast alleen van tropische vruchten kent, me dé smaaksensatie van de voorbije maanden bezorgd. De jonge serveerster gaf me een lyrische uitleg: hoe de bes in het arme noorden van het land een bron van vitamines was, en hoe ze vooral door boeren geplukt wordt in het laagseizoen. Zij is opgetogen door mijn belangstelling, ik ben verwonderd door mijn ontdekking. Ook al hebben we de duindoornbes niet meer ‘nodig’ voor onze vitamines, net in een rijke samenleving zouden we het plezier van veelzijdig eten met veel meer mensen moeten delen. Een betere landbouw voor een smaakvolle samenleving: daarvoor wil ik in deze column een lans breken. Vandaag loopt het al mis in de supermarkt. We geven steeds meer uit aan eten, maar de boer krijgt steeds minder. In 2000 besteedden Belgische gezinnen 3300 euro aan voeding. Daarvan kreeg de boer afgerond 960 euro: ongeveer een derde. In 2010 besteedden we 4200 euro aan voeding. De boer kreeg 800 euro: minder dan een vijfde. We geven blijkbaar vooral geld uit aan merken, aan verpakking en distributie. Om hun winstmarges te handhaven, persen groothandels boeren en hun personeel uit. En dan zwijg ik nog over hun bestelwagentjes en verpakkingsafval, waarvan wij als consument uiteindelijk de rekening betalen. Een betere landbouw begint door het contact tussen boer en klant te herstellen. Door werk te maken, met andere woorden, van korte ketens. Boeren proberen nu wat ademruimte te krijgen door bijvoorbeeld ‘eerlijke melk’ aan te bieden. Dat zal pas werken wanneer het verhaal achter die melk zichtbaar wordt. We kunnen de landbouw wat meer naar de stad brengen, maar we zouden de stad vooral opnieuw naar het land moeten lokken, omdat het er mooi én gezond is. Dat veronderstelt integraal boeren: met het oog op voeding en met het oog op natuur, identiteit en toerisme. Met korte ketens draaien we de kostenstructuur om: een grotere beloning voor de boer, een kleinere voor intermediaire spelers. ‘Ja maar,’ klinkt het tegenargument dan, ‘korte ketens impliceren kleinschaligheid en daarmee een lagere productiviteit.’ Feit is: schaalvergroting levert ons evenmin meer productiviteit op. De toegevoegde waarde per hectare landbouwgrond is in België al vijftien jaar niet meer gegroeid. Wat vooral toeneemt, is de kost van intermediaire goederen en diensten, zoals tractors en kunstmest. In de landbouw lijken de middelen steeds meer het doel geworden. Nog een tegenargument: ‘Kleinschaligheid is duurder.’ Soms misschien wel, ja. Maar de heerlijke kaas die ik bij de boer in Alken of Achel koop is per kilo even duur als kaas met een merk erop. Met wat verbeelding kun je aan kleinschalige landbouw ook nieuwe diensten koppelen: waarom vervangen we de moderne slavernij van HelloFresh niet door slimme lokale netwerken van leveranciers? Met een goede organisatie zouden we kleinschalige producenten kunnen verbinden in netwerken die exclusieve producten over de hele wereld promoten. Onze tuinbouwveilingen doen dat nu al, en met succes. Wat is daarbij betere publiciteit dan het dolce vita , een aantrekkelijk platteland waar smaak en schoonheid primeren? Er is wellicht niet eens een alternatief. Met al hun ‘kiloknallers’ maken de winkelketens zich het leven onmogelijk. Meer en meer raken Belgische supermarkten geabsorbeerd door internationale giganten. Landbouwers die uitsluitend inzetten op schaalvergroting, zullen evenmin kunnen concurreren met megaboerderijen die in Oost-Europa en elders als paddenstoelen uit de grond schieten. Ook de macro-economische baten van dat landbouwmodel zijn twijfelachtig. We voeren voedsel uit, maar we voeren ook veel intermediaire goederen in. Ik ben er lang niet zeker van dat de finale impact van dat model op onze handelsbalans zo positief is. Wat de zwakte van de huidige landbouw misschien nog het meeste aan het licht brengt, is dat de landbouwoppervlakte in Vlaanderen alleen al met 1800 hectare per jaar krimpt. En dat in een eeuw waarin landbouwgrond steeds meer bevochten wordt. Wil hij de klant bereid vinden om voor lekker eten te betalen, dan moet de landbouw vooral zijn eigen conservatisme overwinnen. Smaak, voedselveiligheid, duurzaamheid, schoonheid en technologie kunnen elkaar versterken. Biedt de landbouw meer ruimte voor creatief ondernemerschap, dan zal het ook echt zover komen.

Jonathan Holslag is professor internationale betrekkingen aan de VUB